Historie

Van 1965 – 1969 station Oostmahorn, van 1969 – 1996 station Lauwersoog en
van 1996 – 2006  IJsland. Vanaf juli 2006 terug op Lauwersoog.

Huidige ligplaats:
Buitenhaven Lauwersoog 53°24’31.12” N 006°12’00.85” E

Willem Wilstra, Wietse Zijlstra en Tjeerd WestraSchipper:
Siep Zeeman     ( 1965 – 1971)
Willem Wilstra  ( 1971 – 1977)
Tip Snieder       ( 1977 – 1996 )

Stuurman:
Willem Wilstra ( 1964 – 1971 )
Tjeerd Westra   ( 1971 – 1992 )

Machinist:
Klaas Scheepstra ( 1953 – 1968 )
Wietze Zijlstra   Tweede machinist van (1965 – 1968 )
Eerste machinist van   (1968 – 1997 )

Opstappers:
Bob Moes                         Ge Riemersma                 Wietze Vogel
Kees Jansma                    Bouke Visser                   Anne Koree
Piebe Heystra                   Klaas Visser                    Hans Westenberg
Alle Sonnema                   Jan Tijtsma                      Anno Baas
Wim Essink                      Dick Herlee                      Frank Eerenvelt
Eelco Duurken                  Reindert J Visser            Rommert Jansma

Reddingen07verkleind

Reddingbeschrijvingen overgenomen uit het boek van voormalig schipper Willem Wilstra.
Voor gegevens over dit boek zie: Willem Wilstra

28 oktober 1965
In de vroege ochtend van 28 oktober 1965 raakte het Liberiaanse stoomschip Panagathos op de ondiepten voor Ameland aan de grond. De kapitein accepteerde hulp van de gearriveerde zeesleper Holland. De eveneens gealarmeerde reddingboot Gebroeders Luden assisteerde bij het overbrengen van de sleeptros. De afsleeppoging had geen resultaat en werd de volgende dag voortgezet. De wind nam ondertussen toe. Om 17.00 uur scheurde het schip. Het onstane gat met met scheepsmiddelen gedicht. Het waaide nu NNW 6 en de verwachtingen voorspelden nog meer wind. Ook de Duitse zeesleper Wotan maakte vast. Beide sleepboten en de Panagathos zelf gaven uiterst vermogen, maar het schip kwam niet los. De sleeptrossen braken en in NW 8 was het onmogelijk opnieuw vast te maken. De bemanning van de reddingboot Gebroeders Luden wist dat de strijd nu gestreden was. De kapitein hoopte echter nog op een wonder. Op 2 november om 8.45 uur gaf hij ten slotte de verwachte order: schip verlaten. De bemanning werd door de Gebroeders Luden en helikopters van boord gehaald. De redding waarbij de helikopter zijn intree deed. De Panagathos

8 april 1966 De aanvaring tussen de Stavfjord en de Oriente

Het is 8 april 1966, Goede Vrijdag. Ten noorden van de Waddeneilanden – een van de drukst bevaren scheepvaartroutes ter wereld – zoeken twee schepen in de dikke mist behoedzaam hun weg: de Noorse Stavfjord en de Cubaanse Oriënte. Het eerste schip is met steenkolen onderweg van de Poolse haven Gdynia naar Malta, het Cubaanse schip heeft een lading mandarijnen aan boord en is van Havana op weg naar Gdynia. Alle technische hulpmiddelen ten spijt voltrekt zich tussen beide schepen kort na middernacht de zo gevreesde aanvaring: aan dek van het Noorse schip ziet men opeens de grijze omtrekken van de Cubaan en enkele ogenblikken later boort de boeg van de Oriënte zich midscheeps in de Stavfjord. De gevolgen zijn rampzalig: het Noorse schip zinkt binnen enkele minuten, maar gelukkig zien alle zeventien opvarenden, inclusief de scheepshond, nog net kans over te springen op het Cubaanse schip.
De Oriënte zelf is ook flink beschadigd, maar in welke mate is op dit moment, midden in de nacht, niet te bepalen. De kapitein wil proberen zo snel mogelijk ondiep water te bereiken teneinde het schip, als het mocht gaan zinken, aan de grond te kunnen zetten en besluit ondanks de mist op volle kracht naar de Eemsmond te varen. Via Norddeich Radio, het dichtstbijzijnde radiostation, wordt het noodverkeer ingesteld en het is de kustwacht Schiermonnikoog, die om vijf minuten over half twee die nacht de telefoon pakt en schipper Siep Zeeman van de motorreddingboot Gebroeders Luden in Oostmahorn uit zijn bed belt.
Twintig minuten na de alarmering vaart de Gebroeders Luden de haven van Oostmahorn uit met, behalve de schipper, stuurman W. Wilstra, motordrijver K. Scheepstra en de opstappers W. Zijlstra en K. Visser. Via het Westgat en daarna over de gronden bereikt de reddingboot de routeboei ET 16 en nu moet de radar uitkomst bieden om de kreupele Cubaan te ontdekken. Op het scherm worden zes schepen waargenomen waarvan er één stil ligt. Dát zal ‘m zijn! Maar het is hem niet: het is een Panamees, waarvan de kapitein zo verstandig is geweest voor anker te gaan om beter weer af te wachten. Of misschien niet eens zo verstandig, want zijn schip ligt stil in een drukke scheepvaartroute.
De Oriënte vaart nog altijd in de richting van de Eemsmond en maakt zoveel vaart als het kan, want de Cubaan is zo lek als een mand en zakt steeds dieper in het water. Doordat de Noorse kapitein zich op het Cubaanse schip bezig was gaan houden met de radio, waarvan hem de werking niet helemaal duidelijk was, was het moeilijk om contact te maken. Tot eindelijk Norddeich Radio erin slaagt een gesprek tot stand te brengen tussen de Oriënte en de Gebroeders Luden van deze gelegenheid gebruikt maakt om het schip te peilen. Het blijkt in de buurt te zijn, alleen is de reddingboot nauwelijks in staat om de Oriënte in te halen, omdat deze nog steeds met volle kracht doorvaart. Dan doemt ineens de Cubaan op uit de nevel en de Gebroeders Luden is net op tijd. Om kwart over vier komt de reddingboot langszij en binnen enkele minuten staan alle opvarenden op het dek van de reddingboot. Achtenveertig man en de scheepshond van de Stavfjord. Enkele minuten later verdwijnt de Oriënte in de golven. De Gebroeders Luden komt om kwart voor zeven aan in Oostmahorn met drieënvijftig man aan boord.

3 december 1967
Op 3 december 1967 raakte het Griekse schip Alouette aan lager wal en strandde boven Engelsmanplaat. De kapitein had geprobeerd te ankeren om stranding te voorkomen. Maar verspeelde hierbij een anker. Het schip raakte hoog en droog aan de grond. De zeesleepboot Holland sloot een contract om het schip te bergen. De reddingboot Gebroeders Luden was behulpzaam bij het overbrengen van de sleeptros. Het duurde uiteindelijk twintig dagen voordat ze door de Holland naar diep water kon worden getrokken.

28 oktober 1974
Op 28 oktober 1974 voer het Libanese schip de Eurabia Sun (van 1961 tot 1974 de KNSM er, Theron) boven onze eilanden. Het schip was onderweg van Gdansk naar Tartous in Syrië. Ten noorden van Terschelling begon de lading te schuiven en maakte ze slagzij. De situatie verslechterde en de kapitein gaf opdracht om het schip te verlaten. Kort daarop arriveerde de reddingboot Gebroeders Luden en haalde vijf personen uit een reddingsvlot. Een eveneens gearriveerde helikopter hees drie mannen uit een reddingsvlot. Ook het Amerikaanse schip Alabama bracht een gros bemanningsleden in veiligheid. Op verzoek van de kapitein nam de reddingboot de vijftien geredden van de Alabama over, die daarna de reis kon vervolgen. Kort daarop zonk het schip.

14 verkleind

IJsland

Op station Norðfjörður van 1996 tot 2004 onder de naam „Hafbjörg“. Tijdens haar service op dit station ging ze op 11 levensreddende missies.

Van 2004 tot 2006 was ze gestationeerd op een nieuw ICE-SAR reddingboot station in Vopnafjörður en voer onder de naam „Sveinbjörn Sveinsson“. Tijdens haar service in Vopnafjörður ging ze op 9 levensreddende missies.

Het onderstaande zeemansgebed hing in het bemanningsverblijf en is in het nederlands vertaald door Hans Westenberg.

Zeemansgebed

Wij vragen U god, almachtige Vader,

Zegen het schip dat dit gebed draagt,

In de naam van God de vader, de Zoon en de Heilige Geest.

Heer geef ons goede tijden,

Voor het schip en de bemanning in Jezus’ naam:

De zee is mijn moederschoot

De zeespiegel is mijn weg.

Geef mij goede wind,

Geef mij God’s kracht.

Biedt bescherming aan mij en de bemanning

Om terug te kunnen keren naar de wal.

Ik ben aan U gewijd mijn Heer

Geef mij Uw zegen.

Amen

 

Geschiedenis van de familie Luden

De stamvader van de Amsterdamse familie Luden was Johan Luden, geboren te Bergen in Noorwegen in 1668. Hij vestigde zich aan het eind van de zeventiende eeuw als stokviskoopman in de Zandstraat te Amsterdam. De stokvisnegotie werd voortgezet door zijn twee zonen en kleinzoons, die ook een assurantiebedrijf voerden. In de loop van de achttiende eeuw waren verschillende leden van deze familie werkzaam als commissarissen van de Wisselbank en het accent van hun activiteiten werd verlegd naar de geldhandel. De generaties die daarop volgden (1860 1940) hielden zich primair bezig met het bankvak, onder meer bij de firma’s Hope en Co. en Van Loon en Co. In de negentiende eeuw vertrokken meerdere leden van de familie naar landgoederen rond Doorn en Overveen. Omstreeks 1950 werd een aantal van deze gebieden weer verkocht, onder andere aan de gemeenten Doorn en Bloemendaal. Van de drie zonen uit de laatste generatie (1890 1960) bleven er twee ongetrouwd. De derde verdronk in de Noordzee met achterlating van een zoontje, die op twaalfjarige leeftijd overleed aan tuberculose. Hierdoor stierf de familie Luden in 1968 uit.

Geschiedenis van de familie Luden per generatie.

Jacob Luden (1703 – 1784) en Hendrik Luden (1709 – 1752)

De beide broers Jacob en Hendrik Luden handelden gezamelijk in stokvis. Hendrik was tevens overman van het stokviskopersgilde. Na het overlijden van Hendrik trouwde diens weduwe Catharina Hedwig Lubekker in 1754 met Jurriaan Bartelse. Hij zette de zaken van Hendrik voort. In 1778 gingen Jurriaan en twee zonen van Hendrik, Johannes en Petrus, een compagnieschap aan in de stokvishandel ‘De firma Bartelse en Luden relatief tot de negotie’. Daarnaast had Jurriaan nog een assurantiebedrijf. Na het overlijden van Jurriaan in 1779 werden de pakhuizen Bergen, Finmarken en Drontheim, waarin de firma was gevestigd, en alle gereedschappen behorende tot de negotie toebedeeld aan Johannes en Petrus. De pakhuizen Geloof, Hoop en Liefde op de Prinsengracht waren eigendom van Jacob Luden. Hij kocht deze voormalige brouwerij ‘De Drie Schulpen’ op de Prinsengracht in 1753 en verbouwde het complex tot de drie bovengenoemde pakhuizen. Hij bezat ook zes pakhuizen op het Rapenburg.

Na zijn overlijden kreeg zijn oudste zoon Johannes de pakhuizen Geloof en Hoop en de buitenplaats Vreedeveldt. De tweede zoon Dirk verwierf onder meer het pakhuis De Liefde en het oude woonhuis op de Keizersgracht 105, dat Jacob Luden in 1762 had gekocht. In 1801 kocht Johannes het pakhuis De Liefde van zijn broer Dirk. Johannes en Petrus Luden traden op als executeur-testamentair van Jurriaan Bartelse.

Johannes Luden Hendriksz (1739 1794) en Petrus Luden (1749 1822)

Johannes Luden Hendriksz was onder meer reder en koopman op de West, assuradeur bij de firma Luden en Speciaal, later Luden en Co., overman van het stokviskopersgilde en commissaris van de Wisselbank, de voornaamste ‘bank’ ten tijde van de Republiek. Johannes was tevens een der directeuren van de lijnbaan ‘Het groote Speeljacht’, opgericht in 1767. Deze lijnbaan werd in 1808 geliquideerd. Andere lijnbanen die hij in eigendom had waren ‘Het huis van Egmond’ en ‘Het schild van Frankrijk’. Hij trouwde in 1763 met Catharina Speciaal, dochter van Hendrik Speciaal en Maria Johanna de Visscher. Zij was de kleindochter van Jacob Speciaal, koopman en assuradeur, schepen en later burgemeester te Oostzaan. Twee jaar na het overlijden van zijn vrouw trouwde Johannes in 1778 met Margareta Martina Dibbetz, dochter van Margaretha Smit en Frederik Dibbetz, die onder meer bankier was bij de firma Fred. Dibbetz en Zoon. Johannes overleed in 1794. In 1797 werd de Compagnieschap in de stokvishandel ‘Bartelse en Luden’ gescheiden en verdeeld, waarbij Petrus Luden werd aangesteld tot beheerder van de pakhuizen met de restrictie om over het gevoerde bewind jaarlijks verantwoording af te leggen aan de erfgenamen. Pas in 1810 werd zijn nalatenschap finaal gescheiden en gedeeld.

Zijn broer Petrus begon op dertienjarige leeftijd bij het comptoir van Theodore Passalaique en Zoon. Na een leerperiode van zeven jaar nam hij het besluit om voor zichzelf te beginnen en hij verzocht om een veniam aetatis. Hij trouwde in 1774 met Dorothea Mathilda Hemmij, dochter van Johan Coelestinus Hemmij en Magtilda Vergeel. In 1780 werd Petrus procuratiehouder van de firma ‘Johannes Vergeel en Co.’, deze firma werd geleid door zijn schoonmoeder. Petrus en Dorothea Mathilda hadden een kind, een jong gestorven zoon Johannes (12 juni 1776 – 2 december 1776), en lieten bij hun dood geen nakomeling na. Jurriaan Bartelse, Jacob Speciaal, Jacob Luden Hendriksz, Petrus Luden en Hendrik Luden werden aangesteld tot executeur-testamentair van Johannes Luden Hendriksz. Stukken betreffende zijn nalatenschap zijn te vinden bij zijn broer Petrus Luden en zijn zoon Jacob Hendrik Luden.

Jacob Hendrik Luden (1765 1838)

Jacob Hendrik was bankier, hij had zijn eigen onderneming de ‘Firma Jacob Hendrik Luden en Zoonen’, hij was lid van de Raad van Amsterdam en commissaris van de wisselbank. Hij trad veelvuldig op als executeur-testamentair. Jacob Hendrik woonde aanvankelijk op de Keizersgracht bij de Reguliersgracht, later verhuisde hij naar de Herengracht. Hij trouwde in 1790 met Susanna Anthonia Luden, een volle nicht, dochter van Johannes Luden Jacobsz en Maria van den Bergh. Jacob Hendrik trouwde in 1809 met Maria Luden eveneens een volle nicht en dochter uit het tweede huwelijk van Dirk Luden en Elisabeth van Heyningen. Hij had in totaal negen kinderen, vijf uit het eerste en vier uit het tweede huwelijk. Maria Luden overleed op 42-jarige leeftijd in het kraambed, na de geboorte van het ‘nakomelingetje’ Hendrik, hun vierde kind. Jacob Hendrik maakte enige reizen, onder andere naar Engeland. Veel stukken van persoonlijke aard heeft hij ons echter niet nagelaten. Het grootste gedeelte van het archiefmateriaal dat aan hem kan worden toegeschreven zijn de stukken die hij heeft opgemaakt en ontvangen als executeur-testamentair. Zijn executeur-testamentair was Johannes Luden (zijn oudste zoon).

Johannes Luden (1792 1868) en Hendrik Luden (1796 1815)

Al op zeventienjarige leeftijd kreeg Johannes Luden de gelegenheid om op reis te gaan. In 1809 begon hij aan zijn ‘Grand Tour’ en vertrok naar Duitsland, Zwitserland en Italië. Tussen 1811 en 1813 reisde hij door Rusland. Hij kwam gedurende zijn reizen veelvuldig in contact met bankiers. Johannes Luden wilde het zakenleven echter nog niet in. Hij hoopte op een carrière als diplomaat of een militaire loopbaan. Na zijn terugkomst in het vaderland trad hij gedwongen toe in Napoleons Garde d’Honneur. In 1815 werd Johannes aangesteld tot kapitein bij de Amsterdamse schutterij. Hij werkte vervolgens enige tijd als volontair bij een Parijse bankier en samen met zijn broer Jacob Johannes werkte hij als volontair op het kantoor van Rene Beerenbroek. Hij studeerde rechten in Utrecht en Luik. Johannes trouwde in 1823 met Anna Catharina Duker, dochter van Petrus Gerardus Duker en Anna Catharina Boode. Hij verwierf via de familie van zijn vrouw de plantage Cornelia Ida te Demarary (Suriname), waar Petrus Gerardus Duker fiscaal en auditeur militair was. In 1829 kocht hij een huis op de Herengracht (nr.527). Op 18 maart 1830 promoveerde hij op een proefschrift over de legitieme portie en de wijze om deze op te eisen. Een juridische loopbaan werd het echter niet. Johannes werd benoemd tot kolonel en ingedeeld bij de tweede afdeling van het tweede bataljon schutters van Noord-Holland. Op 4 augustus 1831 trok hij ten strijde tegen de Belgen in de Tiendaagse Veldtocht. Hij werd benoemd tot ridder in de Militaire Willemsorde en in 1832 ontving hij het Metalen Kruis ter herinering aan de veldtocht.

Johannes werd in 1835 aangesteld tot commissaris van de Nederlandsche Handel Maatschappij en in 1836 benoemd tot direkteur van de Nederlandsche Bank, opgericht in 1814 door Willem I. Deze functie heeft hij pas in 1862 neergelegd. Johannes was tevens lid van de Raad van Amsterdam en lid van Provinciale Staten van Noord-Holland. Als adjudant des konings is hij aanwezig geweest bij de inhuldiging van koning Willem II.

Zijn broer Hendrik overleed al op negentienjarige leeftijd te Brussel. Hij was Luitenant bij de Carabiniers. De nalatenschap van Hendrik Luden werd afgewikkeld door zijn vader Jacob Hendrik Luden. De nalatenschap van Johannes Luden werd afgewikkeld door zijn zoon Hendrik Lodewijk Maurits Luden.

Hendrik Lodewijk Maurits Luden (1828 1903)

Evenals zijn vader Johannes Luden studeerde Hendrik Lodewijk Maurits, ook genoemd Maurice, rechten in Utrecht. Hij behaalde zijn doctoraal in 1851 en werd in 1856 benoemd tot rechter bij het kantongerecht te Amsterdam. Hij woonde met zijn vrouw, Marie Louise Craeyvanger, en hun vier kinderen in het ouderlijk huis, op de Herengracht 527. Het gezin verhuisde in 1874 naar de Herengracht 498. Hendrik Lodewijk Maurits was commissaris van de Nederlandsche Bank en van de Nederlandsche Handelmaatschappij. In 1890 werd het kantoor ‘The Cornelia Ida Estate Company ltd.’ opgericht, welke zich bezig hield met de exploitatie van suikerplantages te Demararey. Hendrik Lodewijk Maurits was administrateur van dit kantoor. Hij overleed in 1903 en zijn nalatenschap werd afgewikkeld door zijn twee zonen Johannes en Emil, maar stukken betreffende de afwikkeling van zijn nalatenschap zijn alleen te vinden onder Johannes Luden.

Johannes Luden (1857 1940) en Emil Luden (1863 1942)

Ook Johannes studeerde rechten in Utrecht. Hij promoveerde in 1879 bij J.A. Fruin op de dissertatie ‘Het onvolledig endossement en de procuria wissel’. Zijn belangstelling voor de geldhandel bleek al eerder uit een aantal verhandelingen van zijn hand over de ontwikkeling van het bankwezen en de geldhandel in Amsterdam. In 1880 promoveerde hij bij J. de Louter op stellingen in de staatswetenschap. Na zijn studie was hij korte tijd werkzaam als advocaat in Amsterdam. Hij verliet de advocatuur en ging als ambtenaar werken bij De Nederlandsche Bank, waar hij vanaf 1906 commissaris werd. In 1885 werd Johannes waarnemend directeur van de Rente Cassa, in 1889 lid van de firma Van Loon en Co. en in 1897 trad hij toe tot de firma Hope en Co.

Johannes had veel nevenfuncties. Hij was commissaris van de Nederlandsch-Indische Handelsbank, de Associatie Kas, de Rente Cassa, de Nederlandsche Petroleum Maatschappij, de cultuurmaatschappij Ngredjo en van de North Western en Pacific Hypotheekbank. Hij was enige tijd lid van de gemeenteraad in Bloemendaal en werd gevraagd voor het voorzitterschap van het Nationaal Comite van Actie tegen het verdrag met België. Hij trouwde in 1882 met Mathilde Wilhelmina Johanna Jacoba van der Vliet, een dochter van David van der Vliet en Johanna Jacoba Borski. Johannes woonde met zijn vrouw op de Herengracht 460, dit was het huis dat eerder door David van der Vliet werd bewoond. In 1898 verhuisde het echtpaar met hun vier kinderen naar het landgoed Koningshof in Overveen, ook afkomstig uit de enorme bezittingen van de familie van der Vliet. Tot deze bezittingen behoorde eveneens het ouderlijk huis van Mathilda ‘Duinlust’ en de grote buitenplaats Elswout, beide gelegen in Overveen. Duinlust werd na de dood van Johanna Jacoba van der Vliet-Borski bewoond door haar zoon Emil. Johannes Luden werd benoemd tot zijn curator. Elswout werd in 1805 door Willem Borski verworven. Na de dood van Johanna Jacoba van der Vliet-Borski kwam Elswout in het bezit van de erven Van der Vliet en in 1950 ging de buitenplaats over naar de erven Luden. In 1958 werd Elswout verkocht aan de gemeente Bloemendaal en in 1970 verwierf de Staat der Nederlanden het eigendom.

Emil Luden was president commissaris van het college van commissarissen van de Deli-Batavia Maatschappij en de Deli-Batavia Rubber Maatschappij, hij was voorzitter van de erfgooiers gemeenschap Stad en Lande van Gooiland en van de raad van administratie der maatschappij voor waterleidingen. Voorts werkte hij mee aan de oprichting van de Electrische Spoorweg Maatschappij, de Maatschappij tot exploitatie van waterleidingen in Nederland en de petroleummaatschappij Moeara Enim. Hij was direkteur van de petroleum maatschappij Maesi Hir. Hij trouwde te Londen in 1887 met Annie Lilian Warburton Stent en het echtpaar kreeg vier kinderen. Het gezin woonde in Hilversum in Huize Spijkerpolder. Executeur testamentair van Johannes Luden was Jan Anton Willem Luden (zijn zoon) Hendrik Luden (1885 – 1924) en Jan Anton Willem Luden (1891 – 1962)

Hendrik Luden trouwde in 1916, aanvankelijk zeer tegen de zin van zijn familie, met de amerikaanse Elizabeth Adelaide Cannon. Het echtpaar kreeg een zoontje, Jacky, die op jonge leeftijd aan tuberculose overleed. Hendrik verdronk op 39 jarige leeftijd in de Noordzee. Zijn weduwe hertrouwde Edgar W. Leonard. Zij zette zich onder andere in voor de tuberculosebestrijding en was betrokken bij de in 1930 opgerichte Johannes Hendrik Luden Stichting die tot doel had de bestrijding van tuberculose.

Jan Anton Willem bleef ongetrouwd. Hij woonde tot aan zijn dood in het ouderlijk huis Koningshof te Overveen.