Historie

Van 1965 – 1969 station Oostmahorn, van 1969 – 1996 station Lauwersoog en
van 1996 – 2006  IJsland. Vanaf juli 2006 terug op Lauwersoog.

Huidige ligplaats:
Buitenhaven Lauwersoog 53°24’31.12” N 006°12’00.85” E

Willem Wilstra, Wietse Zijlstra en Tjeerd WestraSchipper:
Siep Zeeman     ( 1965 – 1971)
Willem Wilstra  ( 1971 – 1977)
Tip Snieder       ( 1977 – 1996 )

Stuurman:
Willem Wilstra ( 1964 – 1971 )
Tjeerd Westra   ( 1971 – 1992 )

Machinist:
Klaas Scheepstra ( 1953 – 1968 )
Wietze Zijlstra   Tweede machinist van (1965 – 1968 )
Eerste machinist van   (1968 – 1997 )

Opstappers:
Bob Moes                         Ge Riemersma                 Wietze Vogel
Kees Jansma                    Bouke Visser                   Anne Koree
Piebe Heystra                   Klaas Visser                    Hans Westenberg
Alle Sonnema                   Jan Tijtsma                      Anno Baas
Wim Essink                      Dick Herlee                      Frank Eerenvelt
Eelco Duurken                  Reindert J Visser            Rommert Jansma

1 januari 1995

BORKUM NIEUWJAARSDAG 1995 – Twee Duitse redders verdronken In de zware noordwesterstorm die op Nieuwjaarsdag 1995 over de Noordzee raasde raakte de kustvaarder Nova 1 in ernstige problemen. Reddingboten van Terschelling, Ameland en Lauwersoog, alsmede de Duitse reddingboot Alfried Krupp van Borkum, begeleidden het schip, dat door een sleepboot gesleept werd, naar Delfzijl. De reddingboot Gebroeders Luden, die na de begeleiding onderweg was naar de thuishaven, kreeg in het zeegat bij Schiermonnikoog een zware breker over, waardoor reserveschipper H. Westenberg overboord sloeg. Hij werd na tweeën halfuur door een helikopter gered. De reddingboot Alfried Krupp raakte na de zoekactie naar Westenberg in nood. Twee bemanningsleden sloegen overboord. Schipper B. Gruben en machinist T. Fischer werden ondanks een dagenlange zoekactie niet gevonden. De verslagenheid zowel bij de Duitse Redding Maatschappij als bij de KNRM was groot. Blijken van medeleven werden door de KNRM verzonden aan de nabestaanden en de Deutsche Gesellschaft zur Rettung Schiffbrüchiger (DGzRS). Een delegatie van de KNRM en de Noord-Nederlandse reddingstations was aanwezig bij de herdenkingsdienst in Emden op 1 februari 1995. Kustvaarder in nood Het nieuwe jaar was slechts enkele uren oud toen de eerste noodseinen van de Nova 1 bij het Kustwachtcentrum binnen kwamen.

Reserveschipper Hans Westenberg van de Gebroeders Luden uit Lauwersoog beschreef de gebeurtenissen als volgt: “Om ongeveer 09:15 gaat het alarm. Aflossen van de Johannes Frederik, die de Turkse coaster Nova I begeleidt. De Nova I is na een explosie langzaam zinkende. De sleepboot Smitlloyd 32 heeft een sleepverbinding gemaakt en is onderweg naar de Eems. Ten noorden van de uiterton Westgat ontmoeten we de schepen en volgen dicht achter de Nova I. Het achterschip ligt diep in het water en af toe slaat een golf over achterschip en luiken. Als we op de Eems zijn aangekomen, maakt een tweede sleepboot vast op de kont van de coaster. Ook de Duitse reddingboot Alfried Krupp voegt zich bij het gezelschap. De Johannes Frederik is inmiddels op de terugweg naar Ameland. Als de Alfried Krupp in positie is, lijkt het leed geleden en gaan ook wij terug naar Lauwersoog. Als de Johannes Frederik door het Westgat bij Schiermonnikoog gaat, meldt de kustwacht een golfhoogte van ruim vier meter. Dit is beter dan de ruim vijf meter golfhoogte die we ‘s morgens bij vertrek ondervonden. Op de terugweg krijgen we enkele zware buien. Daarbij krijgen we een golf dwars in, die het schip plat gooit, waarbij de motoren stoppen. Inmiddels is het donker geworden. Na de buien lijkt de zee een stuk verbeterd. Nabij het Westgat wordt in de zee op gestuurd. We gaan met z’n tweeën naar buiten om de stopzak uit te brengen. We zetten het luik van de achterbergplaats open en Anno Baas gaat naar binnen. Hij reikt mij de losse tamp van de tros aan. Dan komt er een breker over. Ik hang naar beneden in het luik en houd mij aan de onderrand van het luikhoofd vast. De zee komt over. Niets aan de hand. Nu snel de tamp van de tros om de sleepboog en beleggen op de beting. Op dat moment zie ik uit mijn ooghoek een gigantische breker dwars op ons aankomen. Ik schreeuw een waarschuwing naar beneden en klem mezelf vast aan de reling van het brugdek. Dan wordt het schip door de golf gegrepen. Ik kan nog even vasthouden en spoel dan overboord. Naar ik later hoor is de boot platgeslagen en vallen de motoren stil. Man over boord. Na wat voor mij een eeuwigheid lijkt kom ik boven uit de maalstroom en zie nog even de Gebroeders Luden op zo’n 40 meter afstand. Dan verdwijnt hij achter een hoge golf. Ik probeer nu eerst mijn ademhaling onder kontrole te krijgen. Ik blaas mijn reddingvest op met het patroon en probeer het flitslicht op het vest in werking te stellen. Dan komt de volgende breker en ga ik weer enige tijd onder water. Door het geweld van het water wordt het zwemvest bijna over mijn hoofd gerukt. Armen en benen worden rondgedraaid. Dan kom ik weer boven en haal adem. Ik probeer mijn dag/nachtsignaal uit het pak te krijgen. Ik steek het direct af, omdat ik bang ben het in de eerstvolgende breker te verliezen. In de volgende brekers (ik denk tussen de 20 en 30 kleine en grotere) houd ik mijn handen om het zwemvest geklemd en druk met mijn rechter duim en wijsvinger mijn neus dicht. Door deze houding is ook mijn mond enigszins afgedekt door mijn handen, zodat ik geen water binnenkrijg. Tussen de brekers door zijn er ook enkele vrij lange rustige periodes geweest. Dan overdenk ik mijn situatie: Het ziet er niet rooskleurig uit, maar misschien dat de ongetwijfeld ingezette heli mij kan ontdekken. Ik besef terdege dat schepen op dat ogenblik absoluut niets voor mij kunnen doen. In de rustige tijden zie ik ook de sterrenhemel en het licht van de vuurtoren van Schiermonnikoog. Ik weet dat ze daar ook hun best voor mij doen. Dit maakt de eenzaamheid minder erg. De kou wordt langzamerhand erger en op een bepaald moment begin ik heftig te rillen. Enige tijd later hoor ik een heli aankomen. Ik zie zijn zoeklicht en hij vliegt snel langs me heen. Hij verdwijnt uit het zicht. Hoop slaat om in wanhoop. Hij heeft me waarschijnlijk niet gezien. Voor de tweede keer vliegt hij snel over. Dan verdwijnt hij weer uit het zicht. Angst. Even later komt de heli langzaam aanvliegen met de redder aan de sling. Een heerlijk moment. We grijpen elkaar vast en de heliredder doet de sling onder mijn armen. Ik reageer wat traag. Dan komt er een breker over en even later nog een. We tollen samen rond. Als de breker voorbij is, zit de stalen hijsdraad om mijn arm geslagen. Op dat moment worden we opgehesen. Snijdende pijn in mijn linkerarm. Ik schreeuw het uit. Mijn hand komt tegen de lier en we worden naar binnen getrokken. Ik ben dolgelukkig”.

Borkummer reddingboot in nood

Hans Westenberg werd na ruim tweeënhalf uur uit zee gehaald. Zijn lichaamstemperatuur bleek bij aankomst in het ziekenhuis in Leeuwarden te zijn gedaald tot 31 graden. Bij de reddingsoperatie brak hij zijn pols, waarvoor hij enige dagen in het ziekenhuis verbleef. Bij de zoekactie naar Westenberg waren de reddingboten Jan van Engelenburg, Johannes Frederik, Annie Jacoba Visser, Gebroeders Luden en Alfried Krupp betrokken. Het rapport van de Jan van Engelenburg geeft een goed beeld van het drama dat zich hierna afspeelde: “Vertrek te 20.20 richting Schiermonnikoog alwaar de Gebr. Luden boven het Westgat Schiermonnikoog een man overboord had. Voeren binnendoor naar Schiermonnikoog. Te 21.45 uur varende in Zuider Spruit Ameland kregen we van Kustwacht Schiermonnikoog bericht dat de persoon door een helikopter was gevonden opgepikt en doorgevlogen zou worden naar ziekenhuis in Leeuwarden. Zijn daarop teruggekeerd naar Terschelling. Te 22.30 uur varende in het Oosterom bericht van KW Schiermonnikoog dat de reddingboot Alfried Krupp in ernstige moeilijkheden zou verkeren. Een helikopter en de Johannes Frederik waren onderweg. In overleg met commissie Terschelling terug naar de Ballumerbocht voor bijvullen van gasolietanks. Te 23:30 uur bericht van de Johannes Frederik dat deze bij de verkenner Westgat zijn buitenste ruitenwissers had verspeeld. Hierop direct weer uitgevaren richting Westgat met reserve ruitenwissers voor de Johannes Frederik. Nabij de Engelsmanplaat langszij de Johannes Frederik doch ruitenwissers konden niet worden gerepareerd. Aan KW Schiermonnikoog gevraagd hoe de toestand was met de Alfried Krupp. Bericht dat de helikopter niets kon uitrichten en verzoek zo snel mogelijk op te stomen naar positie 53-34 N./ 06-19 O. Er was geen radio contact meer en een Duitse helikopter had drie personen op het voordek van de Alfried Krupp gezien. Bij de verkenner Westgat zware brekers over. Hadden het in het Westgat zwaar te verduren. De brekers volgden elkaar snel op en kwamen zowel van stuurboord als van bakboord, één streek van voren in op een noordelijke koers. Vielen na overkomst van een breker regelmatig enkele meters naar beneden, wat een aanslag was op de sterkte van de Jan van Engelenburg en de ruggen van de bemanning. Zo gebeurde het dat de boot dwars van de verkenner Westgat een zware grondzee kreeg en tientallen meters werd meegenomen zodat we de verkenner weer recht vooruit hadden. Na de verkenner te zijn gepasseerd, besloten we nog ongeveer 2 mijl door te varen om goed uit de brekers te zijn, alvorens op koers te gaan liggen richting Alfried Krupp. De zee werd geleidelijk aan hoger doch zeer verraderlijk met een enkele breker. Na genoeg hoogte te hebben gehaald zijn we Oost voor gaan liggen naar positie 53-34 N en 06-21 O afstand 8 mijl. Herhaaldelijk werden we door zware brekers ingehaald ondanks dat we met volle kracht voeren. Moesten daardoor herhaaldelijk het roer aan bakboord leggen en bb. bucket achteruit om de van bakboord schuin achter inkomende brekers, op het voorschip op te kunnen vangen, wat ternauwernood gelukte. Zagen de helikopter in de verte boven de Alfried Krupp hangen, maar waren hem ook wel eens enige tijd uit het zicht verloren door de enorme hoge zeeën voor de inloop van het Huibertgat. Te 01:50 uur aankomst positie Alfried Krupp. Het schip troffen we aan liggend dwarszees in ontredderde toestand. Ramen waren stuk geslagen, achterdeur stond open en mast lag over het achterschip heen geslagen, doch de verlichting brandde nog. Kregen het angstige gevoel dat er niemand meer aan boord zou zijn. Hebben met de schijnwerper herhaaldelijk op de ramen geschenen of er ook nog iemand aan boord zou zijn. Twee redders vermist Na ongeveer 10 minuten werd er van binnenuit met een zaklantaarn geschenen wat ons enigszins een opgelucht gevoel gaf. Aan de Duitse reddingboot Otto Schülke, die ook onderweg was, gevraagd hoe lang het nog duurde voordat deze ter plaatse kon zijn. Hij schatte dit op ongeveer een half uur. Gewacht werd op de Otto Schülke om gezamenlijk actie te ondernemen en verbinding te maken. Na aankomst van de Otto Schülke heeft het nog enige tijd geduurd voordat er iemand van de Alfried Krupp naar buiten kwam. Deze is naar het voorschip gegaan en heeft een tros overboord gegooid, waarna deze werd opgevist door de Otto Schülke en zo konden we voor de zee uit naar binnen stomen. Tijdstip 02.50 uur. Om 03.20 uur hebben we S. Muijskens, voorzien van portofoon, met veiligheidslijn om tussen de zeeën door aan boord kunnen zetten van de Alfried Krupp. Na inlichtingen ingewonnen te hebben bleek dat er twee man overboord geslagen waren, t.w. de voorman en de machinist. Dit doorgegeven aan het Kustwachtcentrum en KW Schiermonnikoog, waar direct groot alarm werd geslagen. Aan boord van de Alfried Krupp waren nog twee personen waarvan één gewond was in het gezicht en de andere vermoedelijk een gebroken been had en licht onderkoeld was. Te 05:00 uur verslechterde de toestand van deze man. RCC Bremen verzocht ons daarom een arts van Borkum te halen. Alvorens op te stomen naar Borkum ook opstapper G. Smit (machinist) overgezet op de Alfried Krupp aangezien alle alarmen nog aan stonden en men geen kans zag deze af te zetten. Te 05:50 uur aankomst Borkum en gewacht op de arts. Te 06:10 uur vertrek Borkum met arts aan boord. Te 06:40 uur arts op Alfried Krupp overgezet. Te 07:30 uur Alfried Krupp langszij genomen en deze te 07:50 uur aan een van de steigers in de Eemshaven afgemeerd. De gewonden werden per ambulance naar een Duits ziekenhuis afgevoerd. Na koffie en gasolie gebunkerd te hebben en na diverse telefoongesprekken, te 10:30 uur vertrokken, binnendoor naar Terschelling. In positie 53-27 N/06-30 O een zwemvest opgevist vermoedelijk van de Alfried Krupp. Dit doorgegeven aan KWC IJmuiden. Te 13:35 uur weer veilig afgemeerd op station Terschelling. Duur van de reis 17 uur en 15 min. Afgelegde afstand 165 mijl’. Uit koers geslagen Hoe het ongeluk met de Alfried Krupp kon gebeuren werd pas later bekend. Tijdens de zoekactie was het bemanningslid Bernhard Runde door een zware breker tegen het stuurwiel op de open bovenbrug gesmakt en had daarbij verwondingen aan het gezicht opgelopen. Hij werd daarna vervangen door machinist Theo Fischer. Samen met schipper Bernhard Gruben stond hij op de bovenbrug toen de reddingboot na de zoekactie naar Hans Westenberg onderweg was naar Borkum. Ter hoogte van de verkenner Huibertgat werd de boot door een paar zware brekers getroffen. Theo Fischer was op dat moment net onderweg naar de machinekamer en bevond zich op het achterdek. De Alfried Krupp werd door de eerste brekers uit koers geslagen en door een direct daarop volgende breker omgegooid. De boot kenterde geheel door. De bovenbrug werd grotendeels verwoest, de mast knakte en bleef steken in het dek. Twee stuurhuisramen sloegen in. Toen de boot zichzelf richtte was Fischer verdwenen. Schipper Gruben, die aan veiligheidslijnen op de brug stond overleefde de rol. Opstapper Diederich Vehn, die in het stuurhuis de navigatie verzorgde, liep door de kentering een gebroken been op. De motoren sloegen af en konden niet opnieuw gestart worden. Het binnengedrongen zeewater had de apparatuur onbruikbaar gemaakt. Met een portofoon kon Gruben het mayday geven, dat door Kustwacht Schiermonnikoog werd opgevangen. Toen ook deze marifoon weigerde schoot de bemanning parachutefakkels af, die eveneens op Schiermonnikoog werden waargenomen. Ruim een half uur nadat de boot was gekapseisd arriveerde een helikopter boven de Alfried Krupp. Ondanks verschillende pogingen lukte het niet een sling neer te laten. De reddingboot rolde enorm in de dwarszeese positie en ging tijdens deze manoeuvres regelmatig plat. Toen de pogingen vruchteloos bleken besloot de bemanning beschutting te zoeken in het stuurhuis. Gruben, die op het voordek gepoogd had de sling te pakken, werd op weg naar het stuurhuis door een breker overboord geslagen en verdween eveneens in de donkere nacht. Door het ontbreken van communicatieapparatuur bleef de helikopter onwetend van het drama dat zich vlak onder hem afspeelde. Pas toen de Jan van Engelenburg een man had overgezet werd bekend dat de twee opvarenden vermist werden. Het stoffelijk overschot van schipper Gruben is enkele weken later aangetroffen op het strand van Juist. Tot op heden is het lichaam van machinist Fischer nog niet gevonden. Veiligheidsmaatregelen De veiligheid aan boord van reddingboten is zeer hoog. De reddingkruisers van de DGzRS behoren tot de modernste reddingboten ter wereld. Het was dan ook verbijsterend hoe verwoestend de kracht van de zee op 1 januari was. De ervaringen van Hans Westenberg uit Lauwersoog waren voor de KNRM aanleiding een aantal veiligheidsvoorzieningen uit te breiden. Zo zal per bemanningslid aan het overlevingspak een extra dag/nachtnoodsignaal worden verstrekt. Voor de reddingvesten zonder kruisband wordt een kruisband gemaakt die voor- komen moet dat het reddingvest over het hoofd kan schuiven. Hoewel het overlevingspak drijfvermogen geeft, zorgt het reddingvest ervoor dat de drenkeling ruggelings hoger boven water blijft drijven. De speciale batterijen van de reddingvestlichten zullen voortaan 1 x per twee jaar vervangen worden in plaats van 1 x per vier jaar.

Onderscheiding

De redding van Hans Westenberg door een helikopter van de Koninklijke Marine is een huzarenstukje geweest. In de metershoge golven en de duisternis was het voor de piloten niet gemakkelijk de helikopter boven de drenkeling te houden. De heliredder aan de sling sleurde regelmatig tientallen meters mee door de hoge golven. Om te voorkomen dat redder en drenkeling met een klap in de draad zouden vallen als ze in een golfdal zaten, gaf de winchman extra draad. In de brekers die zij over zich heen kregen raakte daardoor de draad om de arm van Westenberg, waardoor hij zijn verwondingen opliep. De Redding Maatschappij besloot de helikopterbemanning voor deze aansprekende redding te onderscheiden met de bronzen draagmedaille. Op 22 maart werden de medailles in het bijzijn van Westenberg en een klein gezelschap genodigden op het Marinevliegkamp De Kooij opgespeld.

Bron: KNRM (Hg.): De Reddingboot, Verslag 157, Juni 1995, S. 4-7.

Reddingen

Reddingbeschrijvingen overgenomen uit het boek van voormalig schipper Willem Wilstra.
Voor gegevens over dit boek zie: Willem Wilstra

28 oktober 1965
In de vroege ochtend van 28 oktober 1965 raakte het Liberiaanse stoomschip Panagathos op de ondiepten voor Ameland aan de grond. De kapitein accepteerde hulp van de gearriveerde zeesleper Holland. De eveneens gealarmeerde reddingboot Gebroeders Luden assisteerde bij het overbrengen van de sleeptros. De afsleeppoging had geen resultaat en werd de volgende dag voortgezet. De wind nam ondertussen toe. Om 17.00 uur scheurde het schip. Het onstane gat werd met scheepsmiddelen gedicht. Het waaide nu NNW 6 en de verwachtingen voorspelden nog meer wind. Ook de Duitse zeesleper Wotan maakte vast. Beide sleepboten en de Panagathos zelf gaven uiterst vermogen, maar het schip kwam niet los. De sleeptrossen braken en in NW 8 was het onmogelijk opnieuw vast te maken. De bemanning van de reddingboot Gebroeders Luden wist dat de strijd nu gestreden was. De kapitein hoopte echter nog op een wonder. Op 2 november om 8.45 uur gaf hij ten slotte de verwachte order: schip verlaten. De bemanning werd door de Gebroeders Luden en helikopters van boord gehaald. De redding waarbij de helikopter zijn intree deed. De Panagathos

8 april 1966 De aanvaring tussen de Stavfjord en de Oriente

Het is 8 april 1966, Goede Vrijdag. Ten noorden van de Waddeneilanden – een van de drukst bevaren scheepvaartroutes ter wereld – zoeken twee schepen in de dikke mist behoedzaam hun weg: de Noorse Stavfjord en de Cubaanse Oriënte. Het eerste schip is met steenkolen onderweg van de Poolse haven Gdynia naar Malta, het Cubaanse schip heeft een lading mandarijnen aan boord en is van Havana op weg naar Gdynia. Alle technische hulpmiddelen ten spijt voltrekt zich tussen beide schepen kort na middernacht de zo gevreesde aanvaring: aan dek van het Noorse schip ziet men opeens de grijze omtrekken van de Cubaan en enkele ogenblikken later boort de boeg van de Oriënte zich midscheeps in de Stavfjord. De gevolgen zijn rampzalig: het Noorse schip zinkt binnen enkele minuten, maar gelukkig zien alle zeventien opvarenden, inclusief de scheepshond, nog net kans over te springen op het Cubaanse schip.
De Oriënte zelf is ook flink beschadigd, maar in welke mate is op dit moment, midden in de nacht, niet te bepalen. De kapitein wil proberen zo snel mogelijk ondiep water te bereiken teneinde het schip, als het mocht gaan zinken, aan de grond te kunnen zetten en besluit ondanks de mist op volle kracht naar de Eemsmond te varen. Via Norddeich Radio, het dichtstbijzijnde radiostation, wordt het noodverkeer ingesteld en het is de kustwacht Schiermonnikoog, die om vijf minuten over half twee die nacht de telefoon pakt en schipper Siep Zeeman van de motorreddingboot Gebroeders Luden in Oostmahorn uit zijn bed belt.
Twintig minuten na de alarmering vaart de Gebroeders Luden de haven van Oostmahorn uit met, behalve de schipper, stuurman W. Wilstra, motordrijver K. Scheepstra en de opstappers W. Zijlstra en K. Visser. Via het Westgat en daarna over de gronden bereikt de reddingboot de routeboei ET 16 en nu moet de radar uitkomst bieden om de kreupele Cubaan te ontdekken. Op het scherm worden zes schepen waargenomen waarvan er één stil ligt. Dát zal ‘m zijn! Maar het is hem niet: het is een Panamees, waarvan de kapitein zo verstandig is geweest voor anker te gaan om beter weer af te wachten. Of misschien niet eens zo verstandig, want zijn schip ligt stil in een drukke scheepvaartroute.
De Oriënte vaart nog altijd in de richting van de Eemsmond en maakt zoveel vaart als het kan, want de Cubaan is zo lek als een mand en zakt steeds dieper in het water. Doordat de Noorse kapitein zich op het Cubaanse schip bezig was gaan houden met de radio, waarvan hem de werking niet helemaal duidelijk was, was het moeilijk om contact te maken. Tot eindelijk Norddeich Radio erin slaagt een gesprek tot stand te brengen tussen de Oriënte en de Gebroeders Luden van deze gelegenheid gebruikt maakt om het schip te peilen. Het blijkt in de buurt te zijn, alleen is de reddingboot nauwelijks in staat om de Oriënte in te halen, omdat deze nog steeds met volle kracht doorvaart. Dan doemt ineens de Cubaan op uit de nevel en de Gebroeders Luden is net op tijd. Om kwart over vier komt de reddingboot langszij en binnen enkele minuten staan alle opvarenden op het dek van de reddingboot. Achtenveertig man en de scheepshond van de Stavfjord. Enkele minuten later verdwijnt de Oriënte in de golven. De Gebroeders Luden komt om kwart voor zeven aan in Oostmahorn met drieënvijftig man aan boord.

3 december 1967
Op 3 december 1967 raakte het Griekse schip Alouette aan lager wal en strandde boven Engelsmanplaat. De kapitein had geprobeerd te ankeren om stranding te voorkomen. Maar verspeelde hierbij een anker. Het schip raakte hoog en droog aan de grond. De zeesleepboot Holland sloot een contract om het schip te bergen. De reddingboot Gebroeders Luden was behulpzaam bij het overbrengen van de sleeptros. Het duurde uiteindelijk twintig dagen voordat ze door de Holland naar diep water kon worden getrokken.

07verkleind

28 oktober 1974
Op 28 oktober 1974 voer het Libanese schip de Eurabia Sun (van 1961 tot 1974 de KNSM er, Theron) boven onze eilanden. Het schip was onderweg van Gdansk naar Tartous in Syrië. Ten noorden van Terschelling begon de lading te schuiven en maakte ze slagzij. De situatie verslechterde en de kapitein gaf opdracht om het schip te verlaten. Kort daarop arriveerde de reddingboot Gebroeders Luden en haalde vijf personen uit een reddingsvlot. Een eveneens gearriveerde helikopter hees drie mannen uit een reddingsvlot. Ook het Amerikaanse schip Alabama bracht een gros bemanningsleden in veiligheid. Op verzoek van de kapitein nam de reddingboot de vijftien geredden van de Alabama over, die daarna de reis kon vervolgen. Kort daarop zonk het schip.

 

IJsland

Op station Norðfjörður van 1996 tot 2004 onder de naam „Hafbjörg“. Tijdens haar service op dit station ging ze op 11 levensreddende missies.

Van 2004 tot 2006 was ze gestationeerd op een nieuw ICE-SAR reddingboot station in Vopnafjörður en voer onder de naam „Sveinbjörn Sveinsson“. Tijdens haar service in Vopnafjörður ging ze op 9 levensreddende missies.

Het onderstaande zeemansgebed hing in het bemanningsverblijf en is in het nederlands vertaald door Hans Westenberg.

Zeemansgebed

Wij vragen U god, almachtige Vader,

Zegen het schip dat dit gebed draagt,

In de naam van God de vader, de Zoon en de Heilige Geest.

Heer geef ons goede tijden,

Voor het schip en de bemanning in Jezus’ naam:

De zee is mijn moederschoot

De zeespiegel is mijn weg.

Geef mij goede wind,

Geef mij God’s kracht.

Biedt bescherming aan mij en de bemanning

Om terug te kunnen keren naar de wal.

Ik ben aan U gewijd mijn Heer

Geef mij Uw zegen.

Amen

 

Geschiedenis van de familie Luden

De stamvader van de Amsterdamse familie Luden was Johan Luden, geboren te Bergen in Noorwegen in 1668. Hij vestigde zich aan het eind van de zeventiende eeuw als stokviskoopman in de Zandstraat te Amsterdam. De stokvisnegotie werd voortgezet door zijn twee zonen en kleinzoons, die ook een assurantiebedrijf voerden. In de loop van de achttiende eeuw waren verschillende leden van deze familie werkzaam als commissarissen van de Wisselbank en het accent van hun activiteiten werd verlegd naar de geldhandel. De generaties die daarop volgden (1860 1940) hielden zich primair bezig met het bankvak, onder meer bij de firma’s Hope en Co. en Van Loon en Co. In de negentiende eeuw vertrokken meerdere leden van de familie naar landgoederen rond Doorn en Overveen. Omstreeks 1950 werd een aantal van deze gebieden weer verkocht, onder andere aan de gemeenten Doorn en Bloemendaal. Van de drie zonen uit de laatste generatie (1890 1960) bleven er twee ongetrouwd. De derde verdronk in de Noordzee met achterlating van een zoontje, die op twaalfjarige leeftijd overleed aan tuberculose. Hierdoor stierf de familie Luden in 1968 uit.

Geschiedenis van de familie Luden per generatie.

Jacob Luden (1703 – 1784) en Hendrik Luden (1709 – 1752)

De beide broers Jacob en Hendrik Luden handelden gezamelijk in stokvis. Hendrik was tevens overman van het stokviskopersgilde. Na het overlijden van Hendrik trouwde diens weduwe Catharina Hedwig Lubekker in 1754 met Jurriaan Bartelse. Hij zette de zaken van Hendrik voort. In 1778 gingen Jurriaan en twee zonen van Hendrik, Johannes en Petrus, een compagnieschap aan in de stokvishandel ‘De firma Bartelse en Luden relatief tot de negotie’. Daarnaast had Jurriaan nog een assurantiebedrijf. Na het overlijden van Jurriaan in 1779 werden de pakhuizen Bergen, Finmarken en Drontheim, waarin de firma was gevestigd, en alle gereedschappen behorende tot de negotie toebedeeld aan Johannes en Petrus. De pakhuizen Geloof, Hoop en Liefde op de Prinsengracht waren eigendom van Jacob Luden. Hij kocht deze voormalige brouwerij ‘De Drie Schulpen’ op de Prinsengracht in 1753 en verbouwde het complex tot de drie bovengenoemde pakhuizen. Hij bezat ook zes pakhuizen op het Rapenburg.

Na zijn overlijden kreeg zijn oudste zoon Johannes de pakhuizen Geloof en Hoop en de buitenplaats Vreedeveldt. De tweede zoon Dirk verwierf onder meer het pakhuis De Liefde en het oude woonhuis op de Keizersgracht 105, dat Jacob Luden in 1762 had gekocht. In 1801 kocht Johannes het pakhuis De Liefde van zijn broer Dirk. Johannes en Petrus Luden traden op als executeur-testamentair van Jurriaan Bartelse.

Johannes Luden Hendriksz (1739 1794) en Petrus Luden (1749 1822)

Johannes Luden Hendriksz was onder meer reder en koopman op de West, assuradeur bij de firma Luden en Speciaal, later Luden en Co., overman van het stokviskopersgilde en commissaris van de Wisselbank, de voornaamste ‘bank’ ten tijde van de Republiek. Johannes was tevens een der directeuren van de lijnbaan ‘Het groote Speeljacht’, opgericht in 1767. Deze lijnbaan werd in 1808 geliquideerd. Andere lijnbanen die hij in eigendom had waren ‘Het huis van Egmond’ en ‘Het schild van Frankrijk’. Hij trouwde in 1763 met Catharina Speciaal, dochter van Hendrik Speciaal en Maria Johanna de Visscher. Zij was de kleindochter van Jacob Speciaal, koopman en assuradeur, schepen en later burgemeester te Oostzaan. Twee jaar na het overlijden van zijn vrouw trouwde Johannes in 1778 met Margareta Martina Dibbetz, dochter van Margaretha Smit en Frederik Dibbetz, die onder meer bankier was bij de firma Fred. Dibbetz en Zoon. Johannes overleed in 1794. In 1797 werd de Compagnieschap in de stokvishandel ‘Bartelse en Luden’ gescheiden en verdeeld, waarbij Petrus Luden werd aangesteld tot beheerder van de pakhuizen met de restrictie om over het gevoerde bewind jaarlijks verantwoording af te leggen aan de erfgenamen. Pas in 1810 werd zijn nalatenschap finaal gescheiden en gedeeld.

Zijn broer Petrus begon op dertienjarige leeftijd bij het comptoir van Theodore Passalaique en Zoon. Na een leerperiode van zeven jaar nam hij het besluit om voor zichzelf te beginnen en hij verzocht om een veniam aetatis. Hij trouwde in 1774 met Dorothea Mathilda Hemmij, dochter van Johan Coelestinus Hemmij en Magtilda Vergeel. In 1780 werd Petrus procuratiehouder van de firma ‘Johannes Vergeel en Co.’, deze firma werd geleid door zijn schoonmoeder. Petrus en Dorothea Mathilda hadden een kind, een jong gestorven zoon Johannes (12 juni 1776 – 2 december 1776), en lieten bij hun dood geen nakomeling na. Jurriaan Bartelse, Jacob Speciaal, Jacob Luden Hendriksz, Petrus Luden en Hendrik Luden werden aangesteld tot executeur-testamentair van Johannes Luden Hendriksz. Stukken betreffende zijn nalatenschap zijn te vinden bij zijn broer Petrus Luden en zijn zoon Jacob Hendrik Luden.

Jacob Hendrik Luden (1765 1838)

Jacob Hendrik was bankier, hij had zijn eigen onderneming de ‘Firma Jacob Hendrik Luden en Zoonen’, hij was lid van de Raad van Amsterdam en commissaris van de wisselbank. Hij trad veelvuldig op als executeur-testamentair. Jacob Hendrik woonde aanvankelijk op de Keizersgracht bij de Reguliersgracht, later verhuisde hij naar de Herengracht. Hij trouwde in 1790 met Susanna Anthonia Luden, een volle nicht, dochter van Johannes Luden Jacobsz en Maria van den Bergh. Jacob Hendrik trouwde in 1809 met Maria Luden eveneens een volle nicht en dochter uit het tweede huwelijk van Dirk Luden en Elisabeth van Heyningen. Hij had in totaal negen kinderen, vijf uit het eerste en vier uit het tweede huwelijk. Maria Luden overleed op 42-jarige leeftijd in het kraambed, na de geboorte van het ‘nakomelingetje’ Hendrik, hun vierde kind. Jacob Hendrik maakte enige reizen, onder andere naar Engeland. Veel stukken van persoonlijke aard heeft hij ons echter niet nagelaten. Het grootste gedeelte van het archiefmateriaal dat aan hem kan worden toegeschreven zijn de stukken die hij heeft opgemaakt en ontvangen als executeur-testamentair. Zijn executeur-testamentair was Johannes Luden (zijn oudste zoon).

Johannes Luden (1792 1868) en Hendrik Luden (1796 1815)

Al op zeventienjarige leeftijd kreeg Johannes Luden de gelegenheid om op reis te gaan. In 1809 begon hij aan zijn ‘Grand Tour’ en vertrok naar Duitsland, Zwitserland en Italië. Tussen 1811 en 1813 reisde hij door Rusland. Hij kwam gedurende zijn reizen veelvuldig in contact met bankiers. Johannes Luden wilde het zakenleven echter nog niet in. Hij hoopte op een carrière als diplomaat of een militaire loopbaan. Na zijn terugkomst in het vaderland trad hij gedwongen toe in Napoleons Garde d’Honneur. In 1815 werd Johannes aangesteld tot kapitein bij de Amsterdamse schutterij. Hij werkte vervolgens enige tijd als volontair bij een Parijse bankier en samen met zijn broer Jacob Johannes werkte hij als volontair op het kantoor van Rene Beerenbroek. Hij studeerde rechten in Utrecht en Luik. Johannes trouwde in 1823 met Anna Catharina Duker, dochter van Petrus Gerardus Duker en Anna Catharina Boode. Hij verwierf via de familie van zijn vrouw de plantage Cornelia Ida te Demarary (Suriname), waar Petrus Gerardus Duker fiscaal en auditeur militair was. In 1829 kocht hij een huis op de Herengracht (nr.527). Op 18 maart 1830 promoveerde hij op een proefschrift over de legitieme portie en de wijze om deze op te eisen. Een juridische loopbaan werd het echter niet. Johannes werd benoemd tot kolonel en ingedeeld bij de tweede afdeling van het tweede bataljon schutters van Noord-Holland. Op 4 augustus 1831 trok hij ten strijde tegen de Belgen in de Tiendaagse Veldtocht. Hij werd benoemd tot ridder in de Militaire Willemsorde en in 1832 ontving hij het Metalen Kruis ter herinering aan de veldtocht.

Johannes werd in 1835 aangesteld tot commissaris van de Nederlandsche Handel Maatschappij en in 1836 benoemd tot direkteur van de Nederlandsche Bank, opgericht in 1814 door Willem I. Deze functie heeft hij pas in 1862 neergelegd. Johannes was tevens lid van de Raad van Amsterdam en lid van Provinciale Staten van Noord-Holland. Als adjudant des konings is hij aanwezig geweest bij de inhuldiging van koning Willem II.

Zijn broer Hendrik overleed al op negentienjarige leeftijd te Brussel. Hij was Luitenant bij de Carabiniers. De nalatenschap van Hendrik Luden werd afgewikkeld door zijn vader Jacob Hendrik Luden. De nalatenschap van Johannes Luden werd afgewikkeld door zijn zoon Hendrik Lodewijk Maurits Luden.

Hendrik Lodewijk Maurits Luden (1828 1903)

Evenals zijn vader Johannes Luden studeerde Hendrik Lodewijk Maurits, ook genoemd Maurice, rechten in Utrecht. Hij behaalde zijn doctoraal in 1851 en werd in 1856 benoemd tot rechter bij het kantongerecht te Amsterdam. Hij woonde met zijn vrouw, Marie Louise Craeyvanger, en hun vier kinderen in het ouderlijk huis, op de Herengracht 527. Het gezin verhuisde in 1874 naar de Herengracht 498. Hendrik Lodewijk Maurits was commissaris van de Nederlandsche Bank en van de Nederlandsche Handelmaatschappij. In 1890 werd het kantoor ‘The Cornelia Ida Estate Company ltd.’ opgericht, welke zich bezig hield met de exploitatie van suikerplantages te Demararey. Hendrik Lodewijk Maurits was administrateur van dit kantoor. Hij overleed in 1903 en zijn nalatenschap werd afgewikkeld door zijn twee zonen Johannes en Emil, maar stukken betreffende de afwikkeling van zijn nalatenschap zijn alleen te vinden onder Johannes Luden.

Johannes Luden (1857 1940) en Emil Luden (1863 1942)

Ook Johannes studeerde rechten in Utrecht. Hij promoveerde in 1879 bij J.A. Fruin op de dissertatie ‘Het onvolledig endossement en de procuria wissel’. Zijn belangstelling voor de geldhandel bleek al eerder uit een aantal verhandelingen van zijn hand over de ontwikkeling van het bankwezen en de geldhandel in Amsterdam. In 1880 promoveerde hij bij J. de Louter op stellingen in de staatswetenschap. Na zijn studie was hij korte tijd werkzaam als advocaat in Amsterdam. Hij verliet de advocatuur en ging als ambtenaar werken bij De Nederlandsche Bank, waar hij vanaf 1906 commissaris werd. In 1885 werd Johannes waarnemend directeur van de Rente Cassa, in 1889 lid van de firma Van Loon en Co. en in 1897 trad hij toe tot de firma Hope en Co.

Johannes had veel nevenfuncties. Hij was commissaris van de Nederlandsch-Indische Handelsbank, de Associatie Kas, de Rente Cassa, de Nederlandsche Petroleum Maatschappij, de cultuurmaatschappij Ngredjo en van de North Western en Pacific Hypotheekbank. Hij was enige tijd lid van de gemeenteraad in Bloemendaal en werd gevraagd voor het voorzitterschap van het Nationaal Comite van Actie tegen het verdrag met België. Hij trouwde in 1882 met Mathilde Wilhelmina Johanna Jacoba van der Vliet, een dochter van David van der Vliet en Johanna Jacoba Borski. Johannes woonde met zijn vrouw op de Herengracht 460, dit was het huis dat eerder door David van der Vliet werd bewoond. In 1898 verhuisde het echtpaar met hun vier kinderen naar het landgoed Koningshof in Overveen, ook afkomstig uit de enorme bezittingen van de familie van der Vliet. Tot deze bezittingen behoorde eveneens het ouderlijk huis van Mathilda ‘Duinlust’ en de grote buitenplaats Elswout, beide gelegen in Overveen. Duinlust werd na de dood van Johanna Jacoba van der Vliet-Borski bewoond door haar zoon Emil. Johannes Luden werd benoemd tot zijn curator. Elswout werd in 1805 door Willem Borski verworven. Na de dood van Johanna Jacoba van der Vliet-Borski kwam Elswout in het bezit van de erven Van der Vliet en in 1950 ging de buitenplaats over naar de erven Luden. In 1958 werd Elswout verkocht aan de gemeente Bloemendaal en in 1970 verwierf de Staat der Nederlanden het eigendom.

Emil Luden was president commissaris van het college van commissarissen van de Deli-Batavia Maatschappij en de Deli-Batavia Rubber Maatschappij, hij was voorzitter van de erfgooiers gemeenschap Stad en Lande van Gooiland en van de raad van administratie der maatschappij voor waterleidingen. Voorts werkte hij mee aan de oprichting van de Electrische Spoorweg Maatschappij, de Maatschappij tot exploitatie van waterleidingen in Nederland en de petroleummaatschappij Moeara Enim. Hij was direkteur van de petroleum maatschappij Maesi Hir. Hij trouwde te Londen in 1887 met Annie Lilian Warburton Stent en het echtpaar kreeg vier kinderen. Het gezin woonde in Hilversum in Huize Spijkerpolder. Executeur testamentair van Johannes Luden was Jan Anton Willem Luden (zijn zoon) Hendrik Luden (1885 – 1924) en Jan Anton Willem Luden (1891 – 1962)

Hendrik Luden trouwde in 1916, aanvankelijk zeer tegen de zin van zijn familie, met de amerikaanse Elizabeth Adelaide Cannon. Het echtpaar kreeg een zoontje, Jacky, die op jonge leeftijd aan tuberculose overleed. Hendrik verdronk op 39 jarige leeftijd in de Noordzee. Zijn weduwe hertrouwde Edgar W. Leonard. Zij zette zich onder andere in voor de tuberculosebestrijding en was betrokken bij de in 1930 opgerichte Johannes Hendrik Luden Stichting die tot doel had de bestrijding van tuberculose.

Jan Anton Willem bleef ongetrouwd. Hij woonde tot aan zijn dood in het ouderlijk huis Koningshof te Overveen.